Van oud naar nieuw

 

 

In een zeker land werden alle kinderen blind geboren. Men schikte zich daarin zo goed en zo kwaad als het ging. Op den duur wist men zelfs niet beter. Iederéén was tenslotte blind. De hele maatschappij was erop ingesteld.

Een paar leiders zeiden waarop je moest letten en wat je moest doen om zo goed mogelijk te leven. Zelf waren die leiders ook blind, maar ze hadden zich in veel dingen bekwaamd. En aan de hand van hun regels leidden allen, ondanks de handicap, een tamelijk gelukkig bestaan.

Maar op een middag gebeurde er iets. Plotseling liep er iemand door het land, die zei dat hij zàg. De blinden betastten hem - hij was precies zoals zij. Ook zijn stem en zijn taal waren eender. Alleen de dingen die hij zei, begrepen ze niet. Hij praatte over een blauwe hemel en groene bergen, over  witte lelies en de opgang van de zon. Wat bedoelde hij daarmee? Ze konden zich er geen voorstelling van maken. Zover ging hun kennis niet.

Door de stem van de man heen klonk eerbied en verwondering. Het gaf de blinden een onbestemd en leeg gevoel. Had hij iets dat zij niet hadden? Bestond er een wereld die zij niet kenden? Waarbij hun wereld, hoe goed geregeld ook, niet was te vergelijken?

Nog groter werd de onrust toen de onbekende zei: "Ik ben ook eerst blind geweest, net als jullie. Ik weet dus wat het is om blind te zijn. Maar ik weet nu ook wat het betekent om te kunnen zien. En dat zeg ik niet om jullie de ogen uit te steken, want ik gun het jullie ook. Daarom ben ik juist gekomen. De zalf die mij zo goed hielp, heb ik  meegebracht. Er is genoeg voor allemaal."

Toen deed hij zijn koffer open. De blinden hoorden de slotjes klikken. En hij riep: "Kom het maar halen! Het kost helemaal niets! Je zult een nieuwe wereld leren kennen met vormen en kleuren waarvan je het bestaan niet vermoedde."

Er ontstond gemompel onder de mensen die stil geluisterd hadden. Niemand liep naar de man toe. Sommigen zochten elkaar op en begonnen te fluisteren; anderen kwamen een klein stapje dichterbij.

De man glimlachte, maar dat zagen ze niet. En hij zei: "Ik zie dat jullie niet over één nacht ijs gaan. Dat is heel wijs. Het is geen kleinigheid om het leven waaraan je sinds je geboorte gewend bent, vaarwel te zeggen. Overleg eerst maar goed wat je doet. Ik kan wel zeggen dat je er geen spijt van zult krijgen. Ik spreek uit ervaring."  Zijn stem was warm en gemeend.

Iemand die vooraan stond,  haalde zijn schouders op. "Je kan beter maar met twee benen op de grond blijven staan", zei hij, "dan in onwerkelijke dingen te geloven".

"Wat ik zeg is niet onwerkelijk", antwoordde de man met overtuiging. En weer beschreef hij wat hij zag: de zon, de bergen met het gras en de bomen, de blauwe lucht.

"Dat klinkt nu wel mooi", zei een ander, "maar wie zegt of je het niet verzint. Ik geloof alleen wat ik kan  voelen en ruiken."

"Zo was ik ook", klonk geduldig de stem van de man weer, "maar nu is er voor mij een dimensie bij gekomen. Ik weet zeker, dat wat ik zie de werkelijkheid is. Bovendien heb ik hier brieven van anderen die ook ziende zijn geworden. Ze zeggen hetzelfde. Als je wilt kan ik ze voorlezen."

Terwijl ze zo praatten kwam er een groepje jongelui dichterbij. Ze hielden elkaars handen vast en op hun gezichten lag een blijde verwachting. "Willen jullie de zalf proberen?" vroeg de man blij. "Als u nog eens precies wilt vertellen wat er dan gebeurt", zeiden ze, " u hebt het immers zelf meegemaakt."

Toen begon de man te vertellen. Nadat hij de zalf voor de eerste keer gebruikt had, was het zwart in zijn ogen opgelicht. Steeds beter kon hij daarna allerlei dingen onderscheiden en de samenhang van al die nieuwe dingen werd hem gaandeweg duidelijk. Maar het had hem aangegrepen dat hij van veel zo'n verkeerde voorstelling had gehad. Hij wist bijvoorbeeld dat hij oren had en een neus, maar wat een afkeer voelde hij, toen hij zichzelf voor het eerst in de spiegel zag! Ook zijn vrienden, die hij alleen kende aan hun stem, zagen er zo anders uit dan hij gedacht had. Het kostte tijd voor hij aan de nieuwe situatie gewend was.

Maar hij troostte zich met alle  prachtige dingen die hij nu kon zien. Vooral de vergezichten waren ongekend mooi. En het mooiste was wel de Medicijnmeester, van wie hij de zalf kreeg. Als Hij bij hem was, zag hij alleen Hem nog maar.

De jongens en meisjes luisterden aandachtig. Op hun gezichten had de blijde verwachting plaats gemaakt voor diepe ernst. Dàt hadden ze zich niet gerealiseerd. Konden ze de confrontatie aan met zichzelf?

De man praatte door. Zijn stem werd geestdriftig, nu hij het over zijn Meester had. Uit liefde voor de blinden had Hij, ongevraagd, de wonderbaarlijke zalf Zelf  bereid. Maar het had Hem wel zijn leven gekost.

"Hoe kan Hij bij u zijn, als Hij gestorven is?" vroegen de omstanders verbaasd. "Door Zijn Geest, die Hij mij gaf", zei de man. Maar dat begrepen ze al helemaal niet.

"Kom", zeiden een paar moeders, "het is zo etenstijd en de kinderen moeten op tijd naar bed. 't Was heel interessant, meneer, maar het leven gaat nu eenmaal door." En gehaast liepen ze weg. De anderen volgden. Er waren zakenlui bij en pasgetrouwde stelletjes. Ze hadden nog van alles aan hun hoofd. Er was al teveel tijd verloren gegaan.

De man zag hen na. "Meester", fluisterde hij, "ze verachten het."

Was hij dan voor niets op pad gegaan? Zou hij zijn koffer dicht moeten doen zonder dat er ook maar één tubetje zalf uit was gehaald? Werd de arbeid van zijn Meester zo weinig gewaardeerd? Met tranen in de ogen keek hij rond. Arme,  dwaze mensen. Zouden ze allemaal weggaan? Enkelen twijfelden nog. "Kom toch wat dichterbij", zei de man, "en vraag maar gerust, als er nog iets is dat je weten wilt. Ik wil graag alles uitleggen. Maar ik dring niemand iets op; jullie moeten - en mogen - de zalf zelf pakken."

"Je bent gek, als je nog langer naar die kerel luistert!", viel plotseling een heftige stem achter hem uit. "Kom jongens, laat hem gauw naar zijn soort teruggaan. Wij zijn gelukkig zoals we zijn." De enkelen die nog twijfelden knikten en rumoerig discussiërend liepen ook zij weg.

De koffer stond al die tijd open. De zalf lag zo voor het pakken.

Een hevig verdriet welde op in de man.Waarom wilden ze het niet? Waarom geloofden ze het niet? Ging hun gebrekkige leven nu gewoon verder, alsof er niets gebeurd was?

Opeens draaide een groepje dat zich al  verwijderd had, weer om. Op de blinde gezichten was een vastberaden trek. De handen al  tastend voor zich uit, zochten ze de plaats waar ze de man hoorden praten. Het waren er tien. De hoop in het hart van de man vlamde op. "Hierheen", riep hij, "hier is het!" Maar toen kwamen  ook de schreeuwers terug. Elkaar vasthoudend liepen ze zo snel mogelijk op de man en zijn koffer af. Daar botsten ze tegen de anderen en vloekten. Wat dacht die man wel! Die onruststoker!

De tien geïnteresseerden in de buurt van de koffer werden vast gepakt en hardhandig weggeduwd. De man zag alles en hoorde het aan. Hij waakte over de zalf en week niet van zijn post. En  telkens klonk zijn rustige stem door het geschreeuw heen. Het maakte de tegenstanders razend, maar het gaf de zoekenden moed. Zodra hij zweeg, raakten ze het spoor bijster en zonk de moed hen in de schoenen. Maar als de bekende stem weer klonk, hervonden zij de goede richting.

Toch was het moeilijker dan ze dachten om de zalf te pakken. Telkens leek het of ze er waren en telkens was het mis. Ze werden er moe van.    

Ze mochten het pakken, ze wilden het pakken, maar ze konden het niet.

Het werd al fris. De avondkoelte deed die tien mensen huiveren. De vijanden gaven het op en gingen naar hun warme huis. Die dwazen moesten het verder zelf maar weten.

De man wachtte en bleef hopen. Hij prees de zalf aan, hij stalde hem uit, maar géven kon hij hem niet. De tien bleven ook. Zo dicht bij een nieuw leven, konden ze het niet meer laten gaan. Vijf van hen gingen op de grond zitten, dicht bij elkaar. "Even uitrusten", zeiden ze, terwijl ze elkaar verwarmden, "we zijn er in ieder geval dichtbij." En na een paar minuten vielen zelfs hun ogen dicht.

De andere vijf gingen echter door. Ze begrepen zelf niet hoe het kwam, maar ze hadden geen rust voor ze de werking van die zalf zelf hadden ondervonden. Iets in hun hart zei hen, dat die man de waarheid sprak. Als ze ooit ziende wilden worden, dan moest het hier en nu gebeuren.

Die nacht kwam de Medicijnmeester zelf en legde de zalf in hun hand. De zalf waardoor ze ziende werden!

Het oude was voorbij gegaan.  Alles  is  nieuw geworden.