|
| |||
| eenzaam
stram staan de bomen, zwart en grijs eens levendig en licht en vrolijk lachend in de wind nu zijn hun harten dicht
de avond streelt mijn haren zacht en kust mijn tranen stil alleen ben ik in het heelal waartoe? en om wiens wil?
zoveel dat lief en heilig was week weg, ging heen, verdween o vader die mijn pijn begrijpt laat u mij niet alleen
bouwt u uw huis vol heerlijkheid geef mij een plaats daarin het oude is voorbijgegaan maakt u een nieuw begin
| |||
![]() | |||