eenzaam

 

  stram staan de bomen, zwart en grijs

          eens levendig en licht

          en vrolijk lachend in de wind

  nu zijn hun harten dicht

 

  de avond streelt mijn haren zacht

         en kust mijn tranen stil

  alleen ben ik in het heelal

          waartoe? en om wiens wil?

 

  zoveel dat lief en heilig was

          week weg, ging heen, verdween

  o vader die mijn pijn begrijpt

          laat u mij niet alleen

 

  bouwt u uw huis vol heerlijkheid

          geef mij een plaats daarin

  het oude is voorbijgegaan

          maakt u een nieuw begin