De nieuwe orde
Met een stille glimlach komt Eduard door hoge deuren de troonzaal binnen. Vrolijke marsmuziek sterft weg en fel zonlicht verzacht, terwijl hij opgenomen wordt in de klanken van zijn lievelingslied dat binnen klinkt. Nu is het dan zover. Op weg naar de troon, door adjudanten omringd, knikken bekenden hem toe. En de zuivere tonen van koor en orkest voeren hem, al lopend, mee naar een machtig, juichend slotakkord. Zó zal hij zijn.
Verborgen camera's zoemen onhoorbaar en leggen feilloos zijn wezen vast: een edele, jonge man op de koninklijke troon. Tijdens de plechtigheid blijven scepter en kroon onbewogen - vol vorstelijke flonkering, maar symbolisch. De nieuwe koning leeft! Als hij plechtig de eed aflegt, houden miljoenen hun adem in. Met grote aandacht wordt ook, na de inhuldiging, zijn rede beluisterd. Bij het slot tekent zich op veel gezichten verrassing af.
"Ik eindig met de mededeling, dat ik op deze dag een nieuwe orde instel: het Grootkruis van de koning. Het is bestemd voor niets-bezittenden en wordt door mij persoonlijk uitgereikt. Gegadigden kunnen schriftelijk worden voorgedragen. Men mag ook zichzelf aanmelden. Elk verzoek zal ik serieus overwegen."
Naast grote foto's van Eduard II is de nieuwe orde even later in alle media het belangrijkste nieuws. En op het journaal worden de woorden van de aangetreden vorst over zijn Grootkruis voor niets-bezittenden zó vaak herhaald, dat iedereen ze de volgende dag wel kan dromen. Er doen gelijk allerlei grapjes de ronde. Over droevige ridders en dwaze orden en over slimmeriken, die proberen de koning een rad voor ogen te draaien. Weekendedities van kranten en tijdschriften - over het algemeen meer filosofisch van aard - bespreken zonder uitzondering de zo eenvoudig lijkende vraag: Wie is niets-bezittend?
Dezelfde week al is Eduard in de stijlvolle ontvangstzaal van zijn werkpaleis te vinden. Met ingang van heden zijn ook andere, reeds gepubliceerde, regels van kracht. Gesprekken met onderdanen hebben voortaan de hoogste prioriteit. De koning wil doen wat hij kan om hen gelukkig te maken. Daarvoor schort hij zelfs zonodig andere werkzaamheden op. Wie wil, kan hem spreken.
En als er één schaap over de dam is, volgen er meer. Bij de paleispoort vormt zich al snel een lange rij van mensen. Elk met een eigen verhaal. Ellende is op veel gezichten te lezen. Maar in de uitgebluste ogen komt tijdens het wachten een sprankje licht. "Hij is mijn laatste hoop", zegt de één. "Als Eduard mij niet helpt, is het met mij gedaan", verzekert een ander. "Ik denk dat de koning mij wel begrijpt", fluistert een meisje van achttien tegen haar zoontje van twee.
Om twaalf uur, als de zon hoog aan de hemel staat, gaan de deuren bij het bordes open en wijzen hofdienaars de wachtenden een plaats in de grote, schaduwrijke tuin, naast bruisende fonteinen, temidden van geurende bloemen. Versgeperst sinaasappelsap, pittige koffie en dikbelegde broodjes worden gratis uitgedeeld. "Koning Eduard weet wel, waarmee hij je een plezier kan doen", constateert een gehandicapte jongen vol verbazing. "Wat je zegt", beaamt een vrouw naast hem, "sinds de dood van mijn man, nu tien jaar geleden, ben ik niet zo verwend."
Aan het eind van het terras ontstaat enige verwarring. Een onderhoud is zojuist afgelopen en de paleiswacht vraagt wie de volgende is. "Ik, meneer", zegt een vitale, oudere heer, "maar ik geef mijn beurt graag aan een ander. Want het is hier zo heerlijk toeven en ik heb verder toch niets te doen." "Wie wil er dan meekomen?" vraagt de dienaar vriendelijk.
Met wat tegenzin staat nu de vrouw die daarna aan de beurt was, op. Ook zij zou best nog iets langer willen genieten in deze vredige omgeving. "Vooruit maar! Het leven is nu eenmaal niet enkel rozengeur", zegt ze berustend. "Stort gerust je hele hart bij hem uit!", roept de dame, met wie ze zojuist haar levensverhaal gedeeld heeft, haar hartelijk na. "Wij wachten wel!"
Vanuit een raam in zijn kamer kijkt de koning op de binnenhof neer. Hij ziet hoe eenzamen en misdeelden, al etend, drinkend en pratend, hun trieste leven vergeten en van zijn gaven genieten. "Aan mij zal het niet liggen", zegt hij zacht in zichzelf en belt dan een adjudant. "Laat de mensen pas bij mij komen, als ze er zelf aan toe zijn", gebiedt hij. "En maak een paar zalen gereed, waar men zonodig kan overnachten."
Zo gaan weken en maanden voorbij. De nazomer maakt plaats voor een gure herfst, gevolgd door een koude winter. Maar Eduard II verwarmt de harten van zijn onderdanen. Hij blijkt een wijs, waardig en sober vorst te zijn, die tegelijk royaal is voor ieder die iets nodig heeft. Zelfs de geringsten in het land vinden bij hem een horend oor. Op de ministeries helpt men, aan de hand van persoonlijke orders uit het paleis, de mensen verder die zijn hulp gevraagd hebben. Ook bij tegengestelde belangen keuren uiteindelijk alle partijen zijn wijs beleid goed. Allerwegen wordt zijn geduld en onbaatzuchtigheid geprezen. Maar onrecht kan hij niet verdragen. Voor iemand die anderen wreed behandelt kan hij opeens heel streng zijn. En als men probeert misbruik te maken van zijn goedheid, heeft hij het onmiddellijk door.
De versierselen voor het nieuwe Grootkruis zijn met spoed naar een eigen ontwerp van de koning gemaakt en liggen in zijn kamer klaar om uitgereikt te worden. Heel wat verzoeken kwamen al binnen. 's Avonds laat, als niemand meer storen kan, neemt Eduard de voor hem bestemde brieven één voor één door. Maar steeds weer schudt hij zijn hoofd. Men begrijpt het blijkbaar niet.
Deze avond is hij gelukkig wat vroeger klaar. De pendule laat net twaalf slagen horen. Nog drie brieven, dan kan hij naar bed.
"Majesteit, mijn moeder is echt iemand die niets bezit. Ze heeft haar man verloren en de kinderen leiden een eigen leven en laten niets van zich horen. Meer dan de A.O.W. heeft ze niet. Ik ben de enige die haar sinds kort af en toe schrijf. Want door uw orde ben ik over mijn moeder na gaan denken. Komt zij misschien in aanmerking? Ik dank u voor uw aandacht." Glimlachend legt Eduard de brief op de stapel voor zijn secretaris. "Ze heeft een liefhebbend kind. Een rijk bezit", denkt hij en neemt meteen de volgende.
"Geagte koning, hier is een brief van mij. Het treft mijn zoon, genaamt Jan. Fandaag is zijn fiets gestolen. Hoe moet Jan nu naar sijn werk? Op sijn boekje staat geen sent meer. Dat is tog wat u bedoelt? Hoogagtent, vader van Jan." Eduard pakt zijn pen en noteert: MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN - Aan alle politiebureaus: gestolen fietsen dienen, na een jaar bewaard te zijn geweest, eenmaal ter verkoop te worden aangeboden, ter bestrijding van de onkosten, en daarna onder de meest gedupeerden te worden verdeeld.
Als hij de laatste envelop pakt, kijkt hij verbaasd naar het fijngeschreven adres. Ziet hij het goed? Eén ruk met de briefopener en met grote belangstelling leest Eduard tot tweemaal toe de korte brief. Dan springt hij overeind en loopt naar de nieuwe vitrinekast, waar hij in gedachten blijft staan. Tòch iemand die het waard is om zijn kruis te dragen?
* * * * * * *
In het late namiddaglicht staat baron Oudenaerts ten Hemel bij een boom aan de dichtgevroren vaart. Morgen is het twintig jaar geleden. Het was ook ongeveer op deze tijd. Voor de zoveelste maal hoort hij het gillen van de jongens in doodsnood.... ziet hij zichzelf - gouvernant van de kroonprins en vertrouwde van het vorstelijk gezin - naar het wak toeschieten.... dat verraderlijke wak.... Wie had het kort daarvoor in het dikke ijs uitgehakt, zodat slechts een dun vliesje het water bedekte? Eduard en Anthony, jongetjes van tien, probeerden zich aan de rand vast te houden, maar die brak steeds af en toen hij, liggend op het ijs, hen wilde pakken, zag hij ze allebei in het donkere water wegzinken.
O, dat vreselijke ogenblik! Zijn zoon had hij gegrepen, wild graaiend aan die ene kant. Hij die de zorg droeg voor het leven van de prins; die heimelijk zo trots was op zijn onberispelijke staat van dienst bij de koninklijke familie; die zich zo plichtsgetrouw en onbaatzuchtig achtte, in het groot en in het klein; die dacht de kroonprins lief te hebben als zijn eigen kind.... Vanwaar dat onvergeeflijk egoïsme in een onbewaakt ogenblik?
Dat Eduard het er toch levend afgebracht had, was een wonder. Op deze parkeerplaats, hier heel dichtbij de vaart, kwam juist iemand van de marechaussee aan, op het moment dat het ongeluk gebeurde. Direct was deze ook naar het wak toegegleden en had daar, samen met hem, na veel moeite, ook Eduard kunnen redden. Meer dood dan levend was de jongen, met Anthony, naar de dichtstbijzijnde woning gebracht en daar kwam hij gelukkig toch bij. De wonden van de jongens werden verbonden en na enige tijd waren zij er weer bovenop. Maar de wond in het hart van Frederik werd groter en pijnlijker naarmate de jaren verstreken.
Diep in zijn bontkraag gedoken tuurt de baron in het licht van de scheidende zon. Nooit zal hij zichzelf die fout vergeven. Zijn levensvreugde is erdoor vergald. Het fraaie landgoed van zijn voorouders, met de kostbare, door hen verworven bezittingen, klaagt hem dagelijks aan. Hij is het niet waard. Niet dat de oude koning er zo over dacht. Hij had het hem van harte vergeven en wilde van geen ontslag weten, toen Frederik het hem bevend aanbood. "Mijn dankbaarheid voor het behoud van mijn zoon is zo groot, dat ik je niets verwijt", had hij gezegd. "In jouw geval had ik waarschijnlijk precies hetzelfde gedaan. Laten we blij zijn dat beide jongens het overleefden. En een betere leraar dan jij weet ik niet." Ook Eduard zelf was nooit meer op het voorval teruggekomen, al had het zweven op de rand van de dood hem wel veel ernstiger gemaakt.
Had Anthony maar iets van de ernst van zijn jeugdvriend! De smartelijke trek om de mond van baron Oudenaerts wordt scherper. Anthony, de zoon uit een roemrucht geslacht. Hoe heeft hij de naam van zijn familie bezoedeld! Met zijn liederlijk leven, alleen denkend aan eigen genot, niet terugdeinzend voor de meest schandelijke praktijken. Nog dieper gebogen gaat Frederik naar zijn auto terug en stapt in. De handen geklemd om het stuur, blijft hij zitten, starend in de donkere verte en in de duistere diepte van zijn eigen ziel.
Hij redde de verkeerde! Het ging hem op dat cruciale moment om eigen vlees en bloed! Hij hoeft Anthony niets te verwijten, want zelf is hij geen haar beter. Maar Eduard dan? Vanwaar die opofferingsgezindheid, dat vertrouwen, die bezonnenheid op zo'n jeugdige leeftijd? Dat blijmoedig aanvaarden van zijn veeleisende taak? Bij het horen van die eerste, zelfgeschreven troonrede, heeft Frederik Oudenaerts ten Hemel zijn ontroering slechts dankzij jarenlange oefening in zelfbeheersing, kunnen verbergen. In zijn hart welde even iets op van de oude trots. "Hoor die jongen nu eens.... mijn leerling toch..... zo rustig en origineel..... zo koninklijk en ontwapenend...! Een Grootkruis voor niets-bezittenden.... een medaille voor mensen die alles verloren hebben..... hoe krijgt hij het verzonnen!"
Hoewel het nu helemaal donker is en erg koud, aarzelt Frederik om naar huis te gaan. Wéér weg van deze plek met die loodzware last? Wéér verder leven als de grote verliezer? Wat zei Eduard ook weer aan het eind van dat laatste, fijne gesprek dat hij met hem had, nadat de datum was bepaald waarop hij zijn vader zou opvolgen? Vreemd, al die drukke maanden heeft hij er niet meer aan gedacht en nu opeens staat het hem helder voor de geest. "Oom Fred, er is niets zo moeilijk te aanvaarden als je onmacht om iets goeds te doen en onverdiende vergeving."
Verwonderd had hij de jonge man aangestaard. Hij had Eduards goede eigenschappen opgesomd en gezegd dat iederéén wel eens fouten maakt. Maar Eduard had hem een hand gegeven en was weggegaan, onbegrepen. Onmacht om iets goeds te doen en onverdiende vergeving... Met wijdopen ogen blikt Frederik plotseling in zijn eigen verbitterd, zichzelf handhavend hart. Twintig jaar lang nam hij geen genoegen met de stumper die hij was en wilde hij niet van genade weten. Is dit het geheim van Eduards leven? Moet je van harte je onmacht erkennen en dankbaar zijn voor vergeving, terwijl je weet dat je die niet verdient? Kan je pas ècht leven, als je ten diepste niets meer bezit?
Als een ander mens schrijft Frederik, thuisgekomen, nog diezelfde avond een korte brief. "Dierbare Eduard, Je wijze woorden in ons laatste, persoonlijke gesprek heb ik nu pas begrepen. Wat kan een mens toch dwaas zijn! Het is juist een bevrijding om te erkennen niets te kunnen en niets te zijn en om genade te willen ontvangen. Een grote last is van mij afgevallen. Dat wilde ik je - onder dankzegging - even laten weten. We zien het zo te houden, niet waar? Je zeer toegenegene oom Fred."
* * * * * * *
Heel de pers mag erbij zijn, als koning Eduard II aan baron Oudenaerts ten Hemel de versierselen van het Grootkruis van de koning uitreikt. Zodra er iets over een eerste ridder in de nieuwe orde bekend wordt, is iedereen benieuwd wie het zal zijn. Vooral de mensen die zichzelf of een ander hebben aangemeld. "Zie je wel", zegt er één, als Frederik met naam en toenaam in de krant staat, "als je niet van adel bent, kom je er niet bij, alle mooie woorden ten spijt." "Niets-bezittend", schampert een huisvader, als er op TV wat meer over Frederik onthuld wordt, "die man is schatrijk! Moet je zijn huis en zijn auto eens zien!" En verongelijkt schakelt hij over naar een net, waarop men de zoveelste aflevering van een Amerikaans miljonairsgezin vertoont.
Zelfs in Parijs wordt het nieuws van de uitreiking bekend. In een verwaarloosd pand, ergens in District X, springt Anthony op van zijn stoel. "Nee maar, moet je dat zien," roept hij hoogst verbaasd, terwijl hij naar Elza toeloopt. "Daar heb je mijn vader! De eerbare baron wordt tot ridder geslagen! Heb je ooit zoiets belachelijks gehoord?" "Voor mensen op zwart zaad misschien wel goed nieuws," antwoordt Elza minzaam, na een vluchtige blik in de krant. Bedachtzaam gaat Anthony op een barkruk zitten. "Daar zeg je zowat! Zullen we eens gaan kijken of er iets te halen valt?" Elza haalt haar schouders op. "Je vader ziet ons aankomen", zegt ze weifelend, "je staat nog steeds onder curatele." "Maar ik zàl er een graantje van meepikken, is het niet goedschiks dan kwaadschiks," mompelt Anthony vastberaden. "Trouwens, Eduard kan ook wel eens iets voor zijn oude vriend doen." "Oude vriend?" vleit Elza liefjes, hem over de wang aaiend, "dat valt nogal mee." Ze zet de pan waarin ze stond te roeren op de bar neer en gaat naast Anthony zitten. "Zo jongen, laat dit galgemaal je goed smaken. En dan zullen we gelijk eens over deze affaire nadenken."
* * * * * * *
Een uur voor de plechtigheid begint, is Frederik al in het werkpaleis. Het is hem vreemd te moede. Toen hij die winterse avond dat briefje naar Eduard schreef, had hij totaal niet aan de nieuwe orde gedacht. Wellicht zou dit hem van het schrijven hebben weerhouden. Maar ongeveer twee maanden later deelde Eduard hem met een blij gezicht mee, dat er nu werkelijk iemand gevonden was, die aan de voorwaarden voor het Grootkruis voldeed. "Wie is het? Ken ik die persoon?" had hij nietsvermoedend gevraagd. Waarop Eduard glimlachend antwoordde: "U!" De bedenkingen waren hem in de mond bestorven, toen hij het smekende gezicht van Eduard zag, die al wist wat er zou komen. "Doe het voor mij, oom Fred", zei hij overredend, "wat is nu een ridderorde zonder ridders? Ik zou het zo fijn vinden om u ermee te vereren op de dag, wanneer ik precies één jaar koning ben."
Wat is het hier nu vredig en stil. Gouden zonnestralen spelen met de vergulde ornamenten en geven de lichte ontvangstzaal een hemelse glans. In een vaas bij de marmeren trap geuren witte seringen. Frederik kijkt omhoog, door de grote, glazen koepel in het dak, naar de helderblauwe lucht. "Dit is de heerlijkste dag van mijn leven", weet hij plotseling met grote zekerheid. Op dat moment komt er iemand binnen. "Goede morgen, meneer de baron, wilt u als 't u blieft meekomen?" klinkt het. Waardig en ootmoedig geeft Fredrik Oudenaerts ten Hemel zich aan de gang van zaken over.
Ook voor koning Eduard II is deze eerste verjaardag van zijn regering een hoogtepunt. Feestelijk verloopt alles, precies zoals hij het zich heeft voorgesteld. Ook met een ondertoon van diepe ernst. Na de ridderslag vol symboliek kijken de twee mannen elkaar een ogenblik vol aan. Beiden voelen: een vast verbond is hiermee bezegeld. Vol gratie legt Eduard nu Frederik een prachtige cape om de schouders, die hij dichtspeldt met een gouden kruis. De koninklijke militaire kapel zet een lied in en even later gaat men in optocht door de zonnige hoofdstraat van de stad naar het koninklijk paleis. Alle verslaggevers zijn het erover eens: de koning heeft een aardige traditie ingesteld en het zou leuk zijn als er volgend jaar méér ridders waren.
Tot grote vreugde van zowel de koning als Frederik blijkt dat inderdaad het geval. In Eduards tweede regeringsjaar zijn er meer mensen die op de één of andere manier alles verliezen en met lege handen bij hem komen. Hij peilt hen tot in het diepst van hun ziel, praat met hen en helpt ze verder. En na verloop van tijd ontvangen ze een uitnodiging tot het bijwonen van de uitreiking van het Grootkruis. Frederik is in deze zaken Eduards rechterhand. Hun grote verbondenheid is nog hechter geworden. Samen delen ze vreugde èn verdriet.
Soms moet Eduard oom Fred opbeuren, als hij weer iets van Anthony heeft gehoord. De bedel- en dreigbrieven zijn dit jaar talrijker dan ooit, nu eens vriendelijk paaiend, dan weer sarcastisch en hatelijk.De baron heeft het beantwoorden gestaakt. Anthony weet hoe hij erover denkt. Hij wil zijn zoon graag helpen, mits het hem niet verder naar de afgrond voert. Toch trekt Frederik zich de ellende van zijn kind erg aan en hoopt hij vurig dat de jongen eens tot inkeer zal komen. Hoe heerlijk zou het zijn als ook hij welgemeend zijn onmacht zou erkennen en blij zou zijn met vergeving uit genade. Want tot vergeven is Frederik, ondanks alles, steeds bereid. "Moed houden, oom Fred", pleegt Eduard te zeggen, als Anthony zijn vader weer eens verdriet heeft gedaaan, "misschien gaan toch eens een keer zijn ogen open."
* * * * * * *
De tweede Ridderdag verloopt even prachtig en vrolijk als de eerste. Als de koninklijke optocht zich op de versierde straat begeeft, klinkt er overal uitbundige muziek. Zes nieuwe ridders zijn er bij, waaronder drie vrouwen. Hoewel ongelijk van afkomst, getuigen hun gezichten van een eensgezinde blijdschap. De koning zelf gaat voorop. In de mooie, gouden kruizen op de fluwelen capes schittert de zon. Wapens dragen zij niet. De stoet gaat naar het koninklijk paleis, waar voor alle genodigden een maaltijd is bereid. Ook de familieleden van hen, aan wie het Grootkruis is verleend, mogen zich hier bij het gezelschap voegen. De zeven ridders nemen het dichtst bij Eduard plaats. "Dit maakt mij erg gelukkig", zegt hij, hen één voor één aankijkend, "u allen hier bij mij aan tafel te zien. Moge deze maaltijd ons nog dichter bij elkaar brengen."
Als Frederik aan het eind van een heerlijke dag thuiskomt, ziet hij iemand bij de voordeur staan. Het is Anthony. En wat achteraf leunt een donkere, onverschillig kijkende vrouw tegen een boom. "Dag jongen," zegt de baron onthutst, "hoe kom je..." Maar Anthony laat hem niet uitspreken."Jongen?" smaalt hij schamper, "als ik je zoon ben, waarom heb je me dan niet uitgenodigd? Je schaamt je voor mij, hè. Je wilt niks meer met me te maken hebben." "Kom mee naar binnen, dan kunnen we rustig praten en kan ik het uitleggen:", probeert Frederik hem te kalmeren, maar Anthony snauwt: "Nee, dat hoeft niet meer. Ik weet genoeg. Het zal je berouwen dat je je zoon zo genegeerd hebt." En na een ruk aan Elza's arm loopt hij met grote stappen weg. Op de stoep kijkt Frederik hen na, tot ze in het donker verdwijnen.
Als Eduard de volgende dag het voorval verneemt, fromst hij zijn wenkbrauwen. "Het lijkt van kwaad tot erger te gaan", zegt hij peinzend. "Zijn adres klopte niet meer en nu verwijt hij ons dat hij niet uitgenodigd is. Ik denk niet, dat we momenteel nog iets voor hem kunnen doen. Laten we maar het beste ervan hopen en aan onze taak voor vandaag beginnen."
Na een poosje neemt het werk Frederik weer in beslag. De ridders vormen nu een ridderraad die door de koning zelf wordt onderhouden. Het doel is om, in naam van hem, hulp te bieden waar dat nodig is.Vooral mensen die na de dagelijkse audiëntie niet naar een bepaald ministerie kunnen worden doorverwezen, krijgen persoonlijke aandacht.
Bij officiële gelegenheden doen de ridders altijd hun fluwelen capes weer om, maar de gouden kruizen dragen zij elke dag. Als teken van hun eigen onwaardigheid, maar tegelijk als bemoediging voor zichzelf en voor elkaar, om zo goed mogelijk aan de gezindheid van de koning gestalte te geven.
Toch worden zij niet altijd positief beoordeeld. Er klinkt in krantenverslagen wel eens een cynische ondertoon door in verband met hun werkzaamheden. En als één van hen, om welke reden dan ook, in het nieuws komt, wordt er soms smalend bij gezegd: "Weet u wel, die vrouw die niets bezat." Of: "Eén van de supermensen in ons land...."
Een jonge journalist die door zijn vriendin verlaten werd en meende daardoor voor de nieuwe orde in aanmerking te komen, maar door Eduard teruggewezen werd met de woorden: "Je bezit een hart vol haat tegen alles wat goed is", schrijft die winter een kritisch artikel in een veelgelezen opimieblad, getiteld: "Je bent uitverkoren of je bent het niet." Indirect wordt de manier waarop koning Eduard beslist om iemand het Grootkruis te verlenen (of niet) aan de kaak gesteld. En het vele goede van de nieuwe orde wordt gebagatelliseerd.
Dat de koning en zijn ridders eerlijk openstaan voor iedereen en elks geluk op het oog hebben, waardoor velen daadwerkelijk geholpen zijn; en dat de ridders voor zichzelf niets extra's vragen, maar dankbaar genieten van wat zij krijgen, vormt zelfs voor anderen geen reden om zich niet, na verloop van tijd, in duistere praktijken te begeven. In het geheim gaan een paar journalisten de werkwijze van de raad na. Daarna wordt stilletjes het privéleven van de ridders onderzocht. En als er niets verkeerds te vinden is, worden er ongegronde, negatieve suggesties gedaan, die helaas grote weerklank vinden. Dan volgt al snel in alle media het ene bedenkelijke bericht op het andere. Tot groot verdriet van koning Eduard II. Is er zo weinig onderscheidingsvermogen en werkelijkheidszin onder hen die het volk van nieuws voorzien? En geloven zoveel mensen dan maar voetstoots wat hen wordt voorgeschoteld? Wie is er eigenlijk in zijn land verantwoordelijk voor het grote goed van een vrije pers?
Het komt zelfs zo ver, dat een lid van de ridderraad op een dag openlijk wordt uitgejouwd, als zij, met het gouden kruis op haar kleding, bij het kantoor aankomt. Er ontstaat een kleine oploop. Woorden als "hoogmoedig mens" en "trots nest" klinken als zweepslagen door de lucht. "Je moet niet denken dat je méér bent dan een ander, hoor", wordt haar nog - geheel overbodig - als zij naar binnen gaat, nageroepen.
Het stuit Eduard tegen de borst om juist voor hen, die in zo'n grote bescheidenheid het goede voor hun medeburgers zoeken, een speciale bewakingsdienst in te stellen. "Het is maar een enkele oproerkraaier", zegt hij sussend, als Frederik er voor de tweede keer over begint. "Trouwens", vervolgt hij dan, terwijl een blijde lach op zijn gezicht doorbreekt, "weet u dat ik gisteren de twaalfde ridder-in-spé gevonden heb? Ondanks alle tegenstand groeien we toch." "Ja, de rij op Ridderdag wordt steeds langer", probeert Frederik nog één keer de veiligheid ter sprake te brengen, "over twee weken is het alweer zover. Zouden we eigenlijk wel met die optocht door moeten gaan?"
"Ik vind het juist zo fijn", bekent Eduard zacht. "Zo'n rij met mensen die niet leven voor zichzelf, maar met heel hun hart mijn zaak zijn toegewijd. Dat vind ik zo heerlijk, dat mag u best weten. Laten we dit jaar nog één keer lopend naar het paleis gaan en volgend jaar alles opnieuw bekijken. Mijn lijfwacht en de hofarts lopen deze keer ook weer gewoon mee om, als het nodig zou zijn, in te grijpen."
Voor de nieuwe ridders weegt gelukkig de eer van de koning zwaarder dan de hoon van sommige mensen. Ze zijn heel blij met hun verkiezing als ridder. Op de eerste raadsvergadering die ze bijwonen - een week voor Ridderdag - ondervinden ze bovendien in het prachtige paleis zoveel liefde, warmte en meeleven, dat ze zich vol goede moed klaarmaken voor de grote dag. Zo breekt de nationale feestdag aan. Voor de derde keer is het kostelijk zomerweer.
Onder de vele toeschouwers heeft zich ook Elza geschaard. Een vreselijk jaar hebben Anthony en zij achter de rug. Als arme sloebers hebben ze een leven geleid van stelen, drinken en vluchten. De haat tegen de rijke baron heeft immense proporties aangenomen. Hij is de schuld van alles. Er is maar één oplossing; hij moet uit de weg worden geruimd. Dan zit er nog iets van een erfenis in, zodat ze verder kunnen leven. Geld voor een huurmoordenaar hadden ze niet. Daarom zal Elza het zelf doen. Zonder gevaar te lopen voor een lange gevangenisstraf. Een half jaar lang hebben ze zich, zo goed en kwaad als het ging, erop voorbereid en vrijwel dagelijks heeft Elza geoefend.
Onherkenbaar kijkt ze toe, als de stoet zich na de plechtige ridderslagen formeert. Voorop gaat koning Eduard II, daarna twee-aan-twee de twaalf ridders, met Frederik als eerste. Ze dragen de fluwelen capes met daarop het kruis. Leden van de marechaussee en een aantal hofdignitarissen sluiten de stoet. Rijkspolitie te paard vormt een escorte en langs heel de route staan militairen. Zodra men op weg gaat, spelen de muzikanten vrolijke marsmuziek en alle mensen klappen, als de optocht passeert. Het is toch weer een opgewekt en sfeervol geheel.
Maar dan schiet er opeens een klein hondje tussen de soldaten door, een grijs dametje met zich meetrekkend, dat met een vaart tegen baron Oudenaerts ten Hemel opbotst. Hij wankelt, verliest bijna zijn evenwicht en ziet vlak voor zich een injectiespuit, met een lange, dunne naald, in de hand van de vrouw. Nog een fractie van een seconde en zijn hart zal doorboord zijn. Maar in diezelfde seconde heeft de koning zich omgedraaid en als hij ziet wat er gebeurt, laat hij zich gelijk, zonder aarzelen, zijdelings op Frederik vallen. Hij is het die de dodelijke stoot opvangt.
Onmiddellijk springen lijfwachten toe die de naald verwijderen en eerste hulp verlenen. Anderen helpen de dodelijk verschrikte baron overeind. Agenten pakken de wild krijsende vrouw en binden haar handen vast op haar rug. Militairen vangen het hondje en houden met grote moeite het publiek op een afstand. En onbewegelijk kijkt de ridderstoet toe, met versteende gezichten boven de glanzende capes.
De hofarts voelt al die tijd Eduards pols en schudt tenslotte zijn hoofd. Het dodelijk gif heeft zijn werk goed gedaan. Het is voorbij.
Dan knielt baron Oudenaerts ten Hemel op straat neer en neemt het dierbare, warme hoofd in zijn handen. De ogen zijn gesloten en op zijn borst is wat bloed. Een diepe smart overweldigt Frederik, een verdriet zó groot, dat hij zijn zelfbeheersing verliest en roept: "Hij stierf voor mij! Hij stierf voor mij! "
Met zachte aandrang helpt men hem voor de tweede keer overeind. Liefdevolle handen tillen de dode koning op een brancard. In doodse stilte gaan de ridders naar het paleis, nagestaard door de menigte. Dit had niemand verwacht; dit heeft niemand gewild. Op die ene krankzinnige vrouw na, die snel afgevoerd wordt en duidelijk niet beseft wat zij deed.
Bij de begrafenis heeft baron Oudenaerts ten Hemel de leiding, bijgestaan door zijn ridderraad. Maar de regering beslist over de opvolging. Zo spoedig mogelijk wordt, zonder enig uiterlijk vertoon, een neef van de koning, die ook Eduard heet, als nieuwe vorst aangesteld.
De twaalf ridders gaan intussen gewoon door met hun werk. Maar een paar weken later worden ze met spoed bij Eduard III in het paleis ontboden. Als ze gezeten zijn, neemt hij het woord, na een korte, minachtende blik op hun kruizen. "Eduard, mijn voorganger, hield er eigenaardige ideeën op na", begint hij zelfverzekerd.. "Dat was zijn goed recht. Nu is hij echter overleden en gelden zijn regels niet meer. Die audiënties worden door mij niet voortgezet. Ook het Grootkruis van de koning heeft met de dood van Eduard II zijn bestaansrecht verloren. Ik verzoek u de capes en de kostbare kruizen weer in te leveren. Het is gebleken dat het volk u, als ridders, vaak niet welgezind is. Daarom meen ik dat het in uw eigen belang is, dat u van alle rechten en plichten afstand doet."
Met stijgende verbazing horen de ridders de hooghartige woorden aan. Als de koning zwijgt, staat Frederik hevig verontwaardigd op en zegt, elk woord benadrukkend: "Wat ons gegeven is, kan niemand ons ontnemen, zolang wij leven! Ik weet dat ik namens allen hier spreek. En wij zullen het goede werk van koning Eduard II voortzetten, wanneer en waar wij kunnen. Niemand zal ons daarvan weerhouden!"
Ook Eduard III staat op. "Maar ik onderhoud u niet meer!", zegt hij met evenveel klem. "Laat dat duidelijk zijn. Elk ministerie is capabel genoeg om alle problemen te behandelen. Ik heb andere prioriteiten dan mijn neef. En u kunt best in uw eigen onderhoud voorzien."
"Het is uw verantwoordelijkheid hoe u het koningschap invult", richt zich nu één van de vrouwelijke ridders tot de koning, "zoals het onze zaak is, hoe wij onze opdracht uitvoeren." "Juist", zegt Eduard III, een dienaar wenkend om hen uit te laten, "daaraan zullen wij ons houden." En dreigend voegt hij er nog aan toe: "Daarbij hoop ik, dat u mijn nieuwe regels zult eerbiedigen."
Buiten wordt de ridderraad opgewacht door in der haast opgetrommelde journalisten. "Waarom moest u bij de koning komen? Wat heeft hij gezegd? Gaat hij door met de nieuwe orde en blijft de ridderraad bestaan?" wordt er links en rechts gevraagd. Zo eerlijk en wijs mogelijk staat men ieder te woord. Dan komt plotseling het hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst naar buiten."Vanavond om 10 uur zal koning Eduard III via radio en televisie het volk inlichten over zijn plannen", zegt hij in de stilte die valt. "U wordt nu verzocht deze plaats te verlaten."
Lang staart Frederik die nacht door zijn raam in het donker. Na de toespraak van Eduard III is hem één ding duidelijk geworden: mensen kiezen liever voor de gespierde taal van een dwaas, dan voor zachtmoedige wijsheid, ook al heeft die hen alleen maar goed gedaan.
Opeens komt de maan door de wolken heen en werpt een paar zachte stralen op Eduards portret. Vol liefde neemt Frederik het op. "En toch zal jouw wijsheid zegevieren", fluistert hij, terwijl tranen hem in de ogen springen.
Een dwingende zoemtoon maakt hem enkele uren later alweer wakker. De redactie van een groot landelijk dagblad vraagt zijn reactie op de rede van de koning. Met vaste stem antwoordt baron Oudenaerts ten Hemel: "De raad van ridders zal blijven bestaan en doorgaan met het goede werk dat zij is begonnen. En wat mijzelf betreft: koning Eduard II heeft mijn leven zin gegeven en mij van de dood gered. Zijn passie is de mijne, al zou het me mijn leven kosten. Ik zal zijn kruis altijd met eer en liefde dragen."
* * * * * * *